Tekstschrijver | Rotterdam
Blog

Stom

Je wilt niet zo’n omstander zijn die niets deed. Rotterdam, Oude Binnenweg. Vrijdagavond 23.57 uur. Een dronken man sleept zijn vriend als een levenloze pop over straat. Straalbezopen. ‘Dat gaat niet goed hoor met hem, bel effe 112’, zeggen twee meisjes in het voorbijgaan tegen de man. Je wilt doorfietsen, je hoopt dat de meisjes of andere voorbijgangers iets doen.

‘Ja. Nee. Dat gaat niet goed hoor’, zegt een van de voorbijgangers. Hij vangt je blik. ‘Ah joh, bel even 112. Ik heb zelf geen mobiel bij me’, zegt hij en klopt op zijn blijkbaar telefoonloze zakken. De twee meisjes zijn doorgelopen. Ze hadden het koud. Je aarzelt. Je wilt niet zo’n omstander zijn die niets deed. Morgen de toorn van Nederland en de media over je heen krijgen als de man sterft. Dus je stopt en pakt je mobiel, die je altijd bij je hebt. Waarom zou je die niet altijd bij je hebben. Waar is het anders een mobiele telefoon voor denk je. Je zoekt het nummer in je telefoon. Dat heb je namelijk opgeslagen. Staat onder Politie Algemeen. Het is het 0900 nummer. Je weet dat je alleen 112 mag bellen bij geweld of serieus levensbedreigende situaties.

Je denkt aan de overheidscampagne van eind jaren 80: ‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Het was de reden waarom je Economie in je havo vakkenpakket nam. ‘Ja, goed dat je 112 belt’, zegt de voorbijganger zonder telefoon. ‘Ze belt al hoor!’, roept hij tegen niemand in het bijzonder. Je wacht op de automatische vraag en antwoord dan ‘Rotterdam’. De man zonder telefoon heeft het koud zegt hij. Als je de vrouw van de meldkamer aan de lijn krijgt, vertel je dat het niet goed gaat met een man op de Oude Binnenweg en dat hij out was.

De politieagente aan de telefoon wil weten hoe hij eruit ziet. Je kijkt naar de twee mannen. De vriend heeft hem naar een bankje gesleept. De man die out was, zit inmiddels weer rechtop en praat. Ze lachen. Je vertelt de meldkamer dat de man weer bij is. Dat hij weer praat en lacht.

Oké, openbare dronkenschap zegt de dame aan de telefoon. Wat heeft de man aan? Spijkerbroek en donkere jas.

Is de man Nederlands? Nee zeg je.

Is de man donker, vraagt ze. Nee zeg je, je weet het niet. Donker haar.

Welke taal spreekt de man? Je weet het niet.

De twee mannen zien dat je naar hen kijkt. Onopvallend probeer je de politie te woord te staan. Net doen alsof het heel normaal is om midden op de Oude Binnenweg te staan bellen denk je. Je leunt wanhopig nonchalant op je fiets. Je voelt je ongemakkelijk. Wat zit dat wijf te kijken. Je voelt dat de mannen dat denken.

Zijn ze Marokkaans, vraagt de agente aan de telefoon. Ik weet het niet zeg je, ik kan het niet zien, waarschijnlijk wel. Maar het kunnen net zo goed Portugezen, Letten, Polen of Italianen zijn. Je wilt niet discrimineren of stigmatiseren. Je voelt dat de agente door de telefoon heen merkt dat jij je ongemakkelijk voelt. Dat jullie beide de zinloosheid van de situatie voelen. Maar dat het protocol nu eenmaal vereist dat de vragen beantwoord worden. Ze vraagt je telefoonnummer. ‘Maar ik ga u niet terugbellen hoor’, stelt ze je gerust. ‘We sturen iemand langs om te kijken, dan kunt u naar huis.’

Fijn, zeg je. Want het is koud, zo bellen zonder handschoenen. Ze neemt afscheid. Alle voorbijgangers die vonden dat iemand de politie moest bellen, zijn verdwenen. De twee dronken mannen rollen lachend over het bankje. Je voelt je best een beetje stom.

30 maart 2013